untitled-design-38

Urban Exploring: hype of van alle tijden?

19/04/2017

Het is bijna de kop af 31 jaren geleden dat Tsjernobyl een plaatsje kreeg in ons collectief geheugen. Op 26 april 1986 ontplofte de kernreactor en stootte daarbij een nucleaire wolk uit die tot ver in Europa zijn radio-actieve stofdeeltjes achterliet. De beelden van reddingswerkers die met gevaar voor eigen leven en de moed der wanhoop een tunnel graven naar de beschadigde kernreactor staan op ieders netvlies gebrand.

De dagen na de ramp heerste er vooral verwarring. Maar uiteindelijk ging men toch over tot een ontruiming van de omwonenden; in een straal van dertig kilometer rond de kerncentrale werd het verboden of afgeraden om nog te wonen.

Ramptoerisme

Maar Tsjernobyl bewijst ook dat elke ramp een opportuniteit in zich herbergt: meer en meer (jonge) mensen maken er een reisbestemming van. Dit soort reizen wordt ook wel eens Urban Exploring genoemd. Een duur woord voor ‘ramptoerisme’. Op deze site kan je al eens een kijkje gaan nemen naar foto’s van het rampgebied rond Tsjernobyl. Ook de fauna & flora zijn niet te versmaden. En de achtergebleven plaatselijke bevolking is blijkbaar ook een bezienswaardigheid…

Wie kan er zeggen dat hij tachtig jaar oud is en er nog zo stralend uit ziet?

Middenvinger naar het nuttigheidsdenken

Vanwaar komt de fascinatie voor plaatsen die in verval zijn en waar de tijd lijkt stil te staan? Michel Foley, de schrijver van de bestseller ‘Absurde Overvloed’, zegt dat wij door verval worden aangetrokken omdat de verlaten gebouwen een soort middenvinger zijn naar het heersende nuttigheidsdenken.

“Maar gebouwen die zijn neergezet om in te werken gaan, als ze hun functie vanwege – tijdelijke dan wel permanente – verlating verliezen, een merkwaardig, nieuws soort autonoom leven leiden. ‘Wij zijn gebouwd om te dienen,’ lijken ze te zeggen, ‘maar niemand is uitsluitend dienaar. Wij zijn jullie scheppingen niet. Nu wij van onze dienst bevrijd zijn, leven wij voort en worden we in onze eigen ondoorgrondelijke droom onszelf.'”

De gebouwen doen wat wij niet durven: foert zeggen. En dus kruipen wij lafaards maar in deze verwaarloosde gebouwen om ons eventjes van elke gezag verlost te weten.

Respect voor de ruïne

De cultus van de ruïne is ouder dan vandaag. Het historisch bewustzijn heeft zijn wortels in de romantiek. Alles wat maar rook naar de ruïne, het kerkhof, de Middeleeuwen of de oertijd werd door de romantici geadoreerd. De welgestelden van toen lieten zelf ruïnes bouwen om mee te zijn met hun tijd. Wij maken het misschien niet meer zo gek maar in onze tijd restaureren we nog altijd ruïnes in hun ‘oorspronkelijk’ beschadigde staat. Ook dat getuigt van respect voor de ruïne. In zijn boek ‘Filosofie van het landschap‘ legt filosoof Ton Lemaire een verband tussen ruïnes, romantiek en onze sterfelijkheid.

 “De romantiek is vol van doodsgedachten, en in het bezoek aan de tekens van zijn naderende ondergang, ruïnes en kerkhoven, ziet de mens zijn eigen mogelijke afwezigheid. Hij gedenkt zijn dreigende oplossing in de natuur; hij bezoekt de natuur en de overgangen van cultuur naar natuur omdat de natuur de waarheid over de cultuur bezit.”

Terug naar de natuur

De ruïnes tonen aan dat de natuur sterker is dan de cultuur. De gebouwen keren terug naar hun oorsprong: de natuur. Urban Exploring (Urbex) is dus een vreemde variant van natuurliefhebberij. Onder het mom van stoerdoenerij willen urbexers via een omweg duidelijk maken dat ze evenveel van de natuur houden als geitenwollen sokken dragers.

Dieter Stockman

Plaats een reactie